HTTP staat voor HyperText Transfer Protocol. Het is het fundament van alle communicatie op het web. Elke keer dat je een website bezoekt, gebruikt je browser HTTP om gegevens op te vragen bij een server. De server stuurt vervolgens de gevraagde informatie terug.
HTTP werkt volgens een simpel request-response model. De client stuurt een HTTP-request met een methode zoals GET of POST. De server verwerkt deze aanvraag en stuurt een HTTP-response terug met een statuscode en de gevraagde content. Dit alles gebeurt in milliseconden.
Het protocol is stateless. Dit betekent dat elke request onafhankelijk is. De server onthoudt niets van eerdere verzoeken. Voor gebruikerssessies gebruiken websites daarom cookies of tokens om state bij te houden.
HTTP ondersteunt verschillende methoden voor verschillende acties. GET haalt gegevens op. POST verstuurt nieuwe gegevens. PUT werkt bestaande data bij. DELETE verwijdert resources. Deze methoden vormen de basis van moderne web-API's en RESTful services.
HTTP werd in 1989 bedacht door Tim Berners-Lee tijdens zijn werk bij CERN. Zijn oorspronkelijke voorstel uit maart 1989 beschreef een systeem voor het delen van informatie tussen wetenschappers wereldwijd. Samen met HTML en URL's vormde HTTP de basis van het World Wide Web.
Belangrijke mijlpalen in de ontwikkeling van HTTP:
- 1991: HTTP/0.9 - De allereerste versie, extreem simpel met alleen GET-requests
- 1996: RFC 1945 (HTTP/1.0) - Voegde headers en statuscode toe
- 1997: RFC 2616 (HTTP/1.1) - Introduceerde persistent connections en pipeline
- 2015: HTTP/2 - Binary protocol met multiplexing en header compression
- 2022: HTTP/3 - Gebouwd op QUIC over UDP voor betere prestaties
HTTP/1.1 bleef meer dan 15 jaar de dominante standaard. De evolutie van HTTP toont hoe het protocol steeds sneller en efficiënter werd, terwijl de fundamentele principes behouden bleven.